The editing screen requires at least 450 pixels of horizontal space. Please rotate your device or use one with a bigger screen.

Grammatica 11

a) Het bijvoeglijk naamwoord

Het bijvoeglijk naamwoord heft altijd een mannelijke en een vrouwelijke vorm in het enkelvoud en een gemeenschappelijke meervoudsvorm. De vormen eindigen regelmatig op -o ـܐ (m.), -to/-ṯo ܇ـܬܐ ـܬ݂ܐ(v.) en -e ـܶܐ (mv.):

m.ev. v.ev. mv.
rabo ܪܰܒܐ rabṯo ܪܰܒܬ݂ܐ rabe ܪܰܒܶܐ groot
šafiro ܫܰܦܝܪܐ šafërto ܫܰܦܷܪܬܐ šafire ܫܰܦܝܪܶܐ mooi
komo ܟܳܡܐ këmto ܟܷܡܬܐ kome ܟܳܡܶܐ zwart
baṭilo ܒܰܛܝܠܐ baṭëlto ܒܰܛܷܠܬܐ baṭile ܒܰܛܝܠܶܐ moe, vrij
basimo ܒܰܣܝܡܐ basëmto ܒܰܣܷܡܬܐ basime ܒܰܣܝܡܶܐ goed (lekker)
raḥuqo ܪܰܚܘܩܐ raḥëqto ܪܰܚܷܩܬܐ raḥuqe ܪܰܚܘܩܶܐ veraf
qariwo ܩܰܪܝܘܐ qaruto ܩܰܪܘܬܐ qariwe ܩܰܪܝܘܶܐ dichtbij
Bij de beschrijving van een zelfstandig naamwoord wordt het bijvoeglijk naamwoord erachter geplaatst. Het zelfstandig naamwoord en het bijvoeglijk naamwoord zijn in vorm en geslacht gelijk:
m. aḥuno rabo een grote broer ܐܰܚܘܢܐ ܪܰܒܐ
qubco šacuṯo een gele muts ܩܘܒܥܐ ܫܰܥܘܬ݂ܐ
v. qemësto këmto een zwart hemd ܩܶܡܷܣܬܐ ܟܷܡܬܐ
dašëšto qayërto koude rijstepap ܕܰܫܷܫܬܐ ܩܰܝܷܪܬܐ
mv. tene basime lekkere vijgen ܬܶܢܶܐ ܒܰܣܝܡܶܐ
gërwe semoqe rode sokken ܓܷܪܘܶܐ ܣܶܡܳܩܶܐ
Wanneer het zelfstandig naamwoord met een lidwoord wordt genoemd, dan is daarmee het bijvoeglijk naamwoord ook vastgesteld zonder dat het een lidwoord vertoont:
m. u aḥuno rabo de grote broer ܐܘ ܐܰܚܘܢܐ ܪܰܒܐ
v. i qemësto këmto het zwarte hemd ܐܝ ܩܶܡܷܣܬܐ ܟܷܡܬܐ
mv. ag gërwe semoqe de rode sokken ܐܰܓ ܓܷܪܘܶܐ ܣܶܡܳܩܶܐ
Als predicaat wordt het bijvoeglijk naamwoord met het koppelwoord verlengd:
m. u aḥuno rabo yo de broer is groot ܐܘ ܐܰܚܘܢܐ ܪܰܒܐ ܝܐ
v. i qemësto këmto yo het hemd is zwart ܐܝ ܩܶܡܷܣܬܐ ܟܷܡܬܐ ܝܐ
mv. ag gërwe semoqe ne de sokken zijn rood ܐܰܓ ܓܷܪܘܶܐ ܣܶܡܳܩܶܐ ܢܶܐ
Wanneer het zelfstandig naamwoord als onderwerp van een zin geen lidwoord heeft, betekenen de zinnen het volgende:
m. aḥuno rabo yo hij is een grote broer ܐܰܚܘܢܐ ܪܰܒܐ ܝܐ
v. qemësto këmto yo het is een zwart hemd ܩܶܡܷܣܬܐ ܟܷܡܬܐ ܝܐ
mv. gërwe semoqe ne het zijn rode sokken ܓܷܪܘܶܐ ܣܶܡܳܩܶܐ ܢܶܐ

b) De voorzetsels

1. Voorzetsels algemeen

De meest gebruikte voorzetsels zijn b ܒـ „in“, bëṯr ܒܷܬ݂ܪ „achter“, cal ܥܰܠ „op“, cam ܥܰܡ „met“, gab ܓܰܒ „bij, naast“, l ܠـ „voor, naar“, laf ܠܰܦ „naar“, m ܡـ, me ܡܶܐ „van, uit“, qëm ܩܷܡ „voor“, s ܣـ, se ܣܶܐ „bij, naast“, taḥt ܬܰܚܬ „onder“.

De korte voorzetsels worden samen met het lidwoord geschreven:

b-/ܒـ bu bayto ܒܘ ܒܰܝܬܐ „in het huis“, bi qriṯo ܒܝ ܩܪܝܬ݂ܐ „in het dorp“, bak karme ܒܰܟ ܟܰܪܡܶܐ „in de wijngaarden“
l-/ܠـ lu bayto ܠܘ ܒܰܝܬܐ „naar het huis“,li qriṯo ܠܝ ܩܪܝܬ݂ܐ „naar het dorpf“, lak karme ܠܰܟ ܟܰܪܡܶܐ „naar de wijngaarden“
m-/ܡـ mu bayto ܡܘ ܒܰܝܬܐ „van/uit het huis“, mi qriṯo ܡܝ ܩܪܝܬ݂ܐ „van/uit het dorp“, mak karme ܡܰܟ ܟܰܪܡܶܐ „van/uit de wijngaarden“
s-/ܣـ su bayto ܣܘ ܒܰܝܬܐ „bij het huis“, si qriṯo ܣܝ ܩܪܝܬ݂ܐ „bij het dorp“, sak karme ܣܰܟ ܟܰܪܡܶܐ „bij de wijngaarden“

2. Voorzetsels met achtervoegsels

De voorzetsels kunnen met het voornaamwoordelijk achtervoegsel aangevuld worden en daarbij ook hun vorm veranderen. Deze achtervoegsels zijn identiek aan die uit de beperkte reeks (zie Grammatica 3a, 2). De voorzetsels hebben de volgende vormen bij deze achtervoegsels:

voorzetsels Voorzetsels met achtervoegsels
b ܒـ eb-/ab- ܐܶܒـ ܆ ܐܰܒـ
l ܠـ el-/al- ܐܶܠـ ܆ ܐܰܠـ
m ܡـ mën-/men- ܡܷܢـ ܆ ܡܶܢـ
cal ܥܰܠ acl- ܐܰܥܠـ
cam ܥܰܡ acm- ܐܰܥܡـ
s ܣـ sid-/sëd- ܣܝܕ ܆ ܣܷܕ
bëṯr ܒܷܬ݂ܪ „achter“ und ṭaḥt ܬܰܚܬ „onder“ worden normaliter met een voornaamwoordelijk achtervoegsel gebruikt of ze staan voor het, van een lidwoord voorzien, zelfstandig naamwoord:
bëṯre ܒܷܬ݂ܪܶܗ achter hem
bëṯr u bayto ܒܷܬ݂ܪ ܐܘ ܒܰܝܬܐ achter het huis
taḥta ܬܰܚܬܰܗ onder haar
taḥt i ṭëbliṯo ܬܰܚܬ ܐܝ ܛܷܒܠܝܬ݂ܐ onder de tafel
Voorzetsels met een voornaamwoordelijk achtervoegsel:
  l- ܠـ b- ܒـ m- ܡـ
Enkelvoud
3e p. m. ele ܐܶܠܶܗ ebe ܐܶܒܶܗ mene ܡܶܢܶܗ
3e p. v. ela ܐܶܠܰܗ eba ܐܶܒܰܗ mena ܡܶܢܰܗ
2e p. m. elux ܐܶܠܘܟ݂ ebux ܐܶܒܘܟ݂ menux ܡܶܢܘܟ݂
2e p. v. elax ܐܶܠܰܟ݂ ebax ܐܶܒܰܟ݂ menax ܡܶܢܰܟ݂
1e p. eli ܐܶܠܝ ebi ܐܶܒܝ meni ܡܶܢܝ
Meervoud
3e p. elayye, alle ܐܶܠܰܝـܝܶܗ܆ ܐܰܠܠܶܗ ebayye, appe ܐܶܒܰܝـܝܶܗ܆ ܐܰܦ̇ܦܶ̇ܗ menayye, mënne ܡܶܢܰܝـܝܶܗ܆ ܡܷܢܢܶܗ
2e p. elayxu, alxu ܐܶܠܰܝܟ݂ܘ܆ ܐܰܠܟ݂ܘ ebayxu, abxu ܐܶܒܰܝܟ݂ܘ܆ ܐܰܒܟ݂ܘ menayxu, mënxu ܡܶܢܰܝܟ݂ܘ܆ ܡܷܢܟ݂ܘ
1e p. elayna, elan ܐܶܠܰܝܢܰܐ܆ ܐܶܠܰܢ ebayna, eban ܐܶܒܰܝܢܰܐ܆ ܐܶܒܰܢ menayna, menan ܡܶܢܰܝܢܰܐ܆ ܡܶܢܰܢ

 

  cal ܥܰܠ cam ܥܰܡ s- ܣـ
Enkelvoud
3e p. m. acle ܐܰܥܠܶܗ acme ܐܰܥܡܶܗ side ܣܝܕܶܗ
3e p. v. acla ܐܰܥܠܰܗ acma ܐܰܥܡܰܗ sida ܣܝܕܰܗ
2e p. m. aclux ܐܰܥܠܘܟ݂ acmux ܐܰܥܡܘܟ݂ sidux ܣܝܕܘܟ݂
2e p. v. aclax ܐܰܥܠܰܟ݂ acmax ܐܰܥܡܰܟ݂ sidax ܣܝܕܰܟ݂
1e p. acli ܐܰܥܠܝ acmi ܐܰܥܡܝ sidi ܣܝܕܝ
Meervoud
3e p. aclayye ܐܰܥܠܰܝـܝܶܗ acmayye ܐܰܥܡܰܝـܝܶܗ sidayye, sëtte ܣܝܕܰܝـܝܶܗ܆ ܣܷܬܬܶܗ
2e p. aclayxu ܐܰܥܠܰܝܟ݂ܘ acmayxu ܐܰܥܡܰܝܟ݂ܘ sidayxu, sëtxu ܣܝܕܰܝܟ݂ܘ܆ ܣܷܬܟ݂ܘ
1e p. aclayna, aclan ܐܰܥܠܰܝܢܰܐ܆ܐܰܥܠܰܢ acmayna, acman ܐܰܥܡܰܝܢܰܐ܆ܐܰܥܡܰܢ sidayna, sidan ܣܝܕܰܝܢܰܐ܆ܣܝܕܰܢ
Voor de meervoudsvormen geldt dat er zowel een korte als een lange vorm mogelijk is, echter verschilt er niets in betekenis of gebruik.